Bloedband als basis. Hoe je in je huwelijk meeneemt wat je in je jeugd gevormd heeft

Thuis neem je overal mee naartoe, want het gezin van herkomst drukt een stempel op je leven, van begin tot eind. Wat is daarvan de reden? Hoe ga je daarmee om? Anton en Elize van der Ree Doolaard vertellen over de bagage die ze meekregen vanuit hun thuis. Wat gaan zij op hun beurt doorgeven aan hun twee kinderen? „Onze ouders hebben gedaan wat ze konden doen.”
Anton en Elize benadrukken dat ze allebei geboren zijn in een warm en stabiel gezin. Dat betekent natuurlijk niet dat er thuis nooit onenigheid was. Ook de gezinnen waarin zij geboren werden, staan buiten het paradijs.
Nu ze zelf getrouwd zijn en op eigen benen staan, waarderen ze hun ouders des te meer. Ze ontdekten dat hun gezinnen niet alleen overeenkomsten hadden, maar dat er ook heel wat verschillen waren.
Kunnen jullie zo’n verschil noemen?
Anton: „Als wij het niet helemaal eens zijn over geldkwesties is dat meestal het gevolg van onze opvoeding.”
Elize: „Ik kom uit een gezin waar we heel bewust met geld omgaan, want je kunt je centen maar één keer uitgeven.
Toen mijn ouders trouwden, hadden ze niet veel te besteden. Daarom ging mijn moeder, toen wij wat ouder waren, aan het werk. Dat maakte ons al vroeg zelfstandig.
Toen mijn twee zussen en ik op de middelbare school zaten, waren wij vaak eerder thuis dan onze moeder en moesten wij aan het eind van de middag het eten alvast opzetten.
Al vroeg hadden we ook zelf baantjes. We bezorgden kranten of werkten bij de boer. Vonden we dat leuk? Niet altijd, maar dat was geen vraag. Werken deden we omdat het niet anders kon.”
Anton: „Bij ons thuis gaven we ons geld wat gemakkelijker uit. Zelf heb ik soms de wildste ideeën. Ik wilde graag een veranda en een stukje kunstgras in de achtertuin.
Elize kwam met allerlei bezwaren toen. Ze wilde liever nog een poosje wachten, want stel dat er iets met de wasmachine of met de auto zou gebeuren. Dan moet je toch een buffer hebben?
Toen we nog niet getrouwd waren, at ik regelmatig in een wegrestaurant. Ik was soms uren onderweg. Dan vond ik het makkelijk en lekker om onderweg een hapje te eten.”
Elize, lachend: „Nu krijg je van mij te horen dat dit te duur is. Dat vínd ik ook. En het is ook niet leuk als je al gegeten hebt als je thuiskomt.”
Anton: „Dat snap ik helemaal en daarom doe ik dat niet meer."
Meer verschillen
Elize: „Mijn moeder is gestructureerd. Eén keer per week deed ze boodschappen. Ze had een weekschema voor avondmaaltijden. Daarin paste niet dat er spontaan iemand meeat of dat één van ons opeens bij een vriendinnetje ging eten.
Verder was het bij ons rustig en ons huis was lekker opgeruimd.”
Anton: „Bbij ons was het vaak de zoete inval. Vriendjes en buurkinderen kwamen bij ons voetballen. Mijn moeder gaf ons dan drinken en ze heeft heel wat afgepraat met de kinderen die bij ons over de vloer kwamen.
Ze had een luisterend oor voor iedereen. Ze gaf een stukje geborgenheid.”
Elize: „Ik voelde me thuis ook geborgen, maar het was veel rustiger.”
Als wij nu met z’n allen – dan bedoel ik mijn ouders met hun kinderen en kleinkinderen – bij elkaar zouden zijn, dan zijn we met z’n twaalven. Dat komt zelden voor, want wij zoeken elkaar eerder afzonderlijk op. Bij Anton thuis kiezen ze ervoor om veel vaker met z’n allen bij elkaar te zijn.”
Anton: „We zijn net terug van een weekje vakantie met mijn familie. In totaal waren we met negentien personen. Heel gezellig, maar voor Elize best overweldigend.”
Hoe lossen jullie verschillen op?
Anton: „In een huwelijk is het altijd een kwestie van geven en nemen. Daar doen we ons best voor. We respecteren elkaar en geven elkaar de ruimte.
Elize geniet ervan om rustig thuis te zijn. Ik ben altijd bezig en ik rommel graag wat in de schuur.
Verschillende karakters binnen een huwelijk en binnen een gezin houden het denk ik boeiend. Tenminste: als je elkaar respecteert en niet alleen aan jezelf denkt.”
Elize: „We hebben in ieder geval gemeenschappelijk dat we onszelf prima kunnen vermaken. Maar ik ben wat meer in mezelf gekeerd.
Anton noemt zichzelf graag een 'klepper'. Hij gaat graag even bij iemand langs. Dat heb ik veel minder.
Niet dat ik iets van een kluizenaar heb, want ik heb voldoende contacten met anderen. Maar als er iets is, probeer ik het altijd eerst zelf op te lossen.”
Zijn er dingen die jullie samen anders aanpakken dan jullie ouders deden?
Anton: „Bij ons thuis aten we op zondag altijd soep. Dat doen wij niet. Wij eten iets uitgebreider.”
Elize: „Ik denk aan een verschil tussen mijn moeder en mij. We houden allebei van een opgeruimd huis. Toch zien onze nette huizen er niet hetzelfde uit. Mijn moeder houdt van poetsen. Haar huis blinkt.
Ik doe het huishouden meer plichtmatig. Mijn moeder geniet van huishoudelijk werk. Ik iets minder.”
Waarin zijn jullie ouders een duidelijk voorbeeld voor jullie?
Anton: „Het warme gevoel dat ik van huis uit heb meegekregen, hoop ik door te kunnen geven aan mijn kinderen.
Ook denk ik aan mijn vader die op zondagmiddag kerkelijke bladen las. Daarmee gaf hij ons als kinderen een mooi voorbeeld. Dus lees ik op zondagmiddag De Saambinder helemaal uit, terwijl ik absoluut geen lezer ben.
Ik moet ervoor gaan zitten, de kinderen lekker tegen me aan. Zo kan ik tegelijkertijd hun aandacht geven.
Ik vind het belangrijk om verantwoordelijkheid te nemen, om ze op een goede manier te begeleiden en te sturen. Bij mijn ouders zag ik dat zij dat ook deden.”
Elize: „Op een gegeven moment zei Tobias iets wat niet zo netjes was. Het was voor ons best even de vraag hoe we hem duidelijk konden maken dat hij dit niet mocht herhalen.
Dan denk ik met respect aan de manier waarop mijn ouders ons hebben voorgeleefd. En bijgestuurd als dat nodig was. Al stelden we dat natuurlijk niet altijd op prijs toen we jong waren.”
Hoe gaan jullie om met de geloofsopvoeding van jullie kinderen?
Elize: „Onze ouders zorgden ervoor dat we onze catechisatievragen goed leerden en op zondagmiddag maakten we Bijbelse puzzels.
Ik kan me niet goed herinneren dat we veel inhoudelijk met elkaar praatten over de Bijbel. Ik denk dat mijn ouders achteraf zouden zeggen dat ze dat meer hadden moeten doen.”
Anton: „Mijn ouders zouden denk ik precies hetzelfde zeggen. Voor ons is het nog een beetje zoeken hoe we het gaan doen. We hebben goede voornemens, maar wat zal ervan terechtkomen?
We weten dat we in alles tekortschieten, maar als het goed is, brengt ons dat op de knieën, voor onze kinderen en voor onszelf.”
Elize: „De huisgodsdienst is niet alleen iets voor de zondagmiddag, maar voor de hele week. En het begint niet pas als de kinderen groter zijn, maar vandaag.
Gelukkig zijn er tegenwoordig veel boekjes en andere hulpmiddelen. Meer dan toen wij klein waren.”
Anton: „We hopen dat onze kinderen later met een warm gevoel terugkijken op de manier waarop wij hen hebben opgevoed. Hetzelfde warme gevoel dat wij naar onze ouders hebben.”
Toch wel bijzonder dat de lijn van grootouders – ouders – kinderen – kleinkinderen zo uniek is. Of niet?
Elize: „Volgens mij heeft dat allemaal met de bloedband te maken. De Heere heeft ons in een bepaald gezin geplaatst, dat is onze basis.
Dat is de plek waar je jezelf mag zijn. Bij anderen moet je altijd je best doen, terwijl ze thuis weten hoe je in elkaar steekt. Je kunt een keertje boos op elkaar zijn, maar je mag altijd terugkomen.”



















