Ds. J. Belder over suïcide. „We vergeten te gemakkelijk dat je jezelf ook dood kunt roken, werken of drinken”

Hij raakte als persoon en predikant nauw betrokken bij mensen die ervaren wat depressiviteit en suïcidaliteit met hen doet. Hoe gaat ds. J. Belder om met gemeenteleden die hiermee kampen en met nabestaanden? „Pastoraat verlenen is altijd maatwerk, zeker als psychische problemen zich aandienen en iemand vervreemd raakt van zichzelf.”
Hij schreef verschillende artikelen over suïcide en depressiviteit en werkte ook mee aan een boekje over dit thema.
Hoe is ds. J. Belder betrokken geraakt bij dit onderwerp? „Ik ben nieuwsgierig van aard en heb een zwak voor mensen die niet zo meekunnen in het leven.Mijn moeder was psychisch niet sterk en werd meer dan eens opgenomen in een psychiatrische afdeling van het ziekenhuis. Wellicht kreeg ik daardoor een antenne voor psychische nood.
Mijn moeder leed aan zelfdestructieve gedachten en sprak er soms openlijk over dat ze ‘er een eind aan wilde maken’. Zelf ontsnapte ik ook niet aan depressies. Uit ervaring weet ik dus hoe de dood aan je kan trekken.
Ik heb mogen leren dat het geloof een beschermende factor kan zijn, maar dat zowel de dood als de duivel je enorm op de hielen kan zitten. Dan is het alleen God Die vasthoudt. Wijzelf zijn daar niet toe in staat.”
Als iemand u vertelt dat hij er soms over denkt om zijn leven te beëindigen, wat is dan uw reactie?
„Het allereerste wat ik doe is luisteren. Ik let op wat er wel en niet gezegd wordt. Dan komen er allerlei vragen bij mij op. Die ga ik stellen: Wat is de reden dat je aan suïcide denkt? Fantaseer je weleens over de wijze waarop je dit wilt doen?
Het is een misverstand om te denken dat je bij concreet doorvragen de ander op een idee brengt of dat idee aanwakkert. Wie met plannen rondloopt zichzelf iets aan te doen, wil ‘dit’ leven niet meer.
Belangrijk is dat ik naast de ander ga staan en hem niet veroordeel. Er mag ruimte zijn voor verdriet, wanhoop, boosheid en gevoelens van machteloosheid.
Het zal duidelijk zijn dat ik het niet mag laten bij dit ene gesprek.”
Als het toch tot een suïcide komt, wat dan?
„Vooral de eerste ontmoeting met nabestaanden is enorm belangrijk, te midden van alle ontreddering.
Rouwen is altijd rauw, maar dat geldt in bijzondere mate na zelfdoding van een verwante. De achterblijvers krijgen levenslang, want ook al kunnen wonden helen, de littekens blijven.
Het belang van pastorale zorg is niet snel te overschatten, want goede nazorg is tegelijkertijd voorzorg.
Denk maar aan nabestaanden die zo ontgoocheld kunnen zijn dat verder leven ook voor hen zinloos lijkt. Boosheid kan de kop opsteken, omdat iemand het gevoel heeft dat de ander hem in de steek laat.”
Dan volgen de rouwdienst en de begrafenis.
„Ik vind het belangrijk om te benoemen dat de overledene het leven niet meer aankon. Als we dit vermijden, versterken we juist de taboeïsering van zelfdoding. Dat lijkt me niet goed.
Iemand kan een ziek lichaam hebben, maar je kunt ook ziek zijn in je hoofd, zodat je ontoerekeningsvatbaar kunt worden.
Beoordeel iemand niet op die laatste daad, maar kijk naar het geheel van zijn leven. Had de overledene de Heere lief? We vergeten te gemakkelijk dat je jezelf ook dood kunt roken, werken of drinken.
De Heere Jezus bad aan het kruis voor de doldrieste menigte die Hem bespotte: ‘Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen’ (Lukas 23:34). Er kan een moment komen dat zelfs een kind van God niet meer weet wat hij doet.
Daarnaast lijkt het me goed om het woord ‘zelfmoord’ te vermijden. Dit suggereert dat de overledene dader is, dat hij een moord heeft gepleegd.”
Hebt u nog meer suggesties voor de rouwdienst?
„Wees gewetensvol en blijf binnen de kaders van Gods Woord. Spreek tot de nabestaanden en tot allen die op dat moment onder het Woord zitten. Laat je daarbij niet leiden door wat de familie graag wil horen, maar predik het Woord.
Als er gezongen wordt tijdens de rouwdienst, pas er dan voor op dat het verdriet niet overzongen wordt. Bied geen valse, maar ware troost.
Stel Jezus Christus centraal en de noodzaak van bekering en verzoening met God door het bloed van het Lam.”
Is geloof en religie een belangrijke bescherming tegen wanhoopgedachten?
„Religie heeft tot op zekere hoogte inderdaad een beschermende functie. Dan is trouwens wel medebepalend wat het geloof voor iemand betekent en welk mens- en Godsbeeld hij heeft. Angst voor het oordeel kan een remmende factor zijn.
Een pré is sowieso dat mensen die actief betrokken kerkleden zijn, meer sociale contacten hebben.
Als het goed is, hebben we in de kerk oog en hart voor elkaar. Vooral voor de zwakken en de tobbers.”
Werd er vroeger binnen de kerk anders over suïcide gedacht dan tegenwoordig?
„Er zijn Bijbelgedeelten die nu soms anders geïnterpreteerd worden. Het kan nodig zijn om foutieve interpretaties met tact en wijsheid te corrigeren.
We lezen in de Bijbel een aantal keren over zelfdoding. Het viel mij op dat er slechts één keer een oordeel aan verbonden wordt, namelijk bij Judas. Maar niet zijn dood, wel zijn verraad wordt becommentarieerd.
Dat er een weg is in de donkerste nacht blijkt uit de woorden van Psalm 88. Het is de psalm die mij persoonlijk diep heeft aangesproken toen ikzelf door een nacht, zwart en dicht, mijn weg ging.
Niet minder vertroostend zijn de woorden uit Psalm 10, waar de Heere zegt dat Hij de moeite en het verdriet aanschouwt. Hij ziet het, opdat we het in Zijn handen geven.”
Wat kan de christelijke gemeente concreet betekenen voor mensen die suïcidaal zijn of voor nabestaanden?
„Heb oog, oor en hart voor elkaar. Leef met elkaar mee, juist in moeilijke dagen.
Helaas worden die dagen voor sommigen maanden en jaren. Dan loopt de gemeente het gevaar dat ze gewend raakt aan het chronisch lijden van een medelid. Maar laat hem of haar niet zitten.
Ga bijvoorbeeld regelmatig met iemand wandelen. Dit kan ervaren worden als een beker koud water voor een dorstige ziel.
Je kunt opzien tegen het contact en denken: Wat moet ik wel zeggen? Wat moet ik vooral niet zeggen? Mijn advies is heel eenvoudig: Ga met je hart! Filosofeer niet, maar doe wat.”
Wat moet de christelijke gemeente in ieder geval niet doen?
„Er zijn mensen die goedkope troostpleisters plakken en zeggen: ‘Kop op, het komt wel weer goed’. Dan is het beter om te zwijgen. Probeer je in te leven in de ander en besef hoe zwaar het leven voor je medemens kan zijn.
Onbedoeld kunnen mensen elkaar diep verwonden. Dat geldt gemeenteleden, maar ook voor predikanten.
Misschien mag ik hier ook de vinger leggen bij leespreken. Als zelfdoding daarin aan de orde komt, kan het nabestaanden in grote verwarring brengen.
Het kan hen zwaar deprimeren als gezegd wordt dat degene die de hand aan zichzelf slaat, verloren is. Het is goed dat de broeders die een preek lezen tijdens een kerkdienst, daar alert op zijn.”



















